Eerste lezing: W 18, 6-9
Tweede lezing: Heb 11, 1-2. 8-19
Evangelie: Lc 12, 32-48
Lieve mensen,
Net voorbij de helft van de zomervakantie. Wanneer velen onder ons de tijd hebben gekregen om even weg te zijn van de dagdagelijkse beslommeringen horen we in het evangelie een boodschap die onze aandacht moet trekken. Een boodschap van enerzijds geen ‘vrees’ te hebben maar anderzijds een oproep om onze aandacht nooit te laten varen.
Het gaat over de komst van waar we allen naar uitkijken. De komst van het Rijk Gods. De komst van het eeuwige koninkrijk. Onze aandacht wordt gevraagd: want dat ‘Koninkrijk’ is op handen en kan elk moment ons ten deel vallen. We worden opgeroepen om ‘waakzaam’ te zijn.
Want de Heer kan op elk moment voor de deur staan. Wie zijn aardse taak als ‘rentmeester’ dan goed heeft volbracht zal niet verschieten dat de Heer is teruggekeerd. Echter zij die losbandig en zich bewust hebben afgekeerd van de wil van de Heer zullen gestraft worden.
Onze aandacht moet dus uitgaan naar de ‘wil’ van de Heer. En het evangelie geeft daar goede tips over wat die ‘wil’ eigenlijk is. ‘Verkoopt uw bezittingen en geeft aalmoezen; verschaft u beurzen, die niet verslijten, en verwerft een onuitputtelijke schat in de hemel, waar geen dief komt en geen mot hem bederft. Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.’
Het gaat er hier vooral om, dat we ons niet hechten aan materieel bezit, ons niet vastklampen aan een comfort waarbij anderen te kort worden gedaan. Ons niet nestelen in een cocon of bubbel waarbij we oog voor onze ‘naaste’ verliezen.
Op reis, mocht ik ervaren dat even weg zijn van de ‘dagdagelijkse beslommeringen ‘ons niet vrij maakt van de taak om als ‘christen’ de ‘naaste’ te ontmoeten. Nieuwe horizonten kunnen dan wel ons doen nadenken over welk bezit ons ‘dierbaar’ is, het laat tevens zien dat we niet los van de ‘aardse wereld’ leven en dat die wereld dringend nood heeft aan meer ‘liefde’ en ‘zorg’ voor elkaar. Op reis, een niet Christelijke cultuur ervaren doet je als Christen ook nadenken waar het echt op aankomt. Het blijft me fascineren, hoe een hoogtechnologische cultuur, toch de belangeloosheid van de menselijke ontmoeting centraal stelt. Bezit, macht, wie je bent, welke achtergrond je hebt, het wordt onbelangrijk. Centraal staat de erkenning, de aandacht voor de ontmoeting op zich, mens onder de mensen zijn. In een aandachtig ‘nu’ vertoeven waarbij ‘liefde’ centraal staat. En dit is geen idealisering want in diezelfde cultuur is het streven naar ‘een aardse’ onthechting een centraal thema in het leven. Wij Christenen kunnen ervan leren dat zich ‘vrij maken van’, een ‘vrij worden voor’ wordt.
Terug naar het evangelie betekent dit dat wij als ‘rentmeester’ ons niet moeten hechten aan het bezit dat ons ten deel valt maar ons juist door goed beheer ons vrijmaken om gehoor te geven aan de ‘liefde’ die we kunnen delen en ontvangen, alles op zijn tijd.
In de eerste lezing horen we nog dat het godsvolk op de hoogte is gebracht van het moment waarop ze op ‘uittocht’ zullen trekken en dat dit gepaard gaat met veel vreugde. In de brief aan de Hebreeën wordt dan weer het geduld van Abraham aangehaald, Je zou ervan kunnen uitgaan dat het nooit meer zal gebeuren maar hij werd Vader van een groot volk dat God hem beloofd had.
Wij weten noch dag noch uur en Abraham indachtig moeten we ons geduld nooit verliezen, maar niets staat ons in de weg om die gouden tip uit het evangelie na te streven: Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
Van anderen kunnen we leren wat ons ‘onthechten’ van aardse zaken kan betekenen opdat we ten volle ons kunnen hechten aan de ‘wil van de Heer’. (MD)
