De gastvrijheid of betrokkenheid op de medemens in het christendom strekt zich uit tot alle mensen, ongeacht hun afkomst, universeel dus.
Als de christelijke naastenliefde universeel is en dus geen onderscheid maakt tussen mensen, dan ook niet tussen vrienden en vijanden. We moeten niet alleen van onze vrienden houden, maar, hoe paradoxaal dat ook klinkt, ook van onze vijanden, die per definitie niet van ons houden en die we eigenlijk alleen maar kunnen haten.
In de Bergrede staat het als volgt: ‘Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten’. Dit zeg ik daarover: ‘Heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen’ (Mattheus 5:43-45).
Christelijke gastvrijheid is universeel, letterlijk ‘katholiek’ (uit het Grieks ‘gemeten volgens het geheel’). Ze maakt geen onderscheid tussen wie wel en wie niet mag worden ontvangen of geholpen.
Gastvrijheid moet volgens de christelijke boodschap geboden worden wanneer de roep om hulp klinkt: ze is dus niet gebonden aan de regels en conventies die binnen een bepaalde groep heersen en die bepalen hoe je vreemden moet ontvangen.
Je naaste beminnen zoals of zelfs meer dan jezelf is een hele uitdaging. Je vijanden vergeven gaat nog een stap verder. Liefde en haar drie dimensies, eros (begeerlijke liefde), filia (vriendschapsliefde) en agapé (geestelijke liefde), blijven solide houdingen. Een mens zonder liefde wordt onzijdig.
Hulp bij mensen in nood
Als iemand die in moeilijkheden verkeert een beroep op jou doet, dan hoef je daar niet over na te denken en moet je onmiddellijk bijspringen. Dat is de geest van de liefde – de agapè, onvoorwaardelijke liefde.
Overigens is gastvrijheid niet altijd het antwoord op een expliciete vraag. Het zien van het lijden van een medemens moet al voldoende zijn om hem terstond te willen helpen. Als je bijvoorbeeld getuige bent van een auto-ongeluk en de slachtoffers ziet moet je niet weglopen! Zij rekenen op je hulp. Hulp bieden! Ware evangelische gastvrijheid anticipeert zelfs op de hulpvraag en daarom moet de christen voortdurend alert blijven op de behoeften van de ander.
Bij de christenen is gastvrijheid pure liefde, pure overgave. Je moet zelfs je vijand liefhebben. Dit gebod lijkt in te houden dat je door volgehouden inspanning elke vijandschap kunt overwinnen, waardoor je op den duur geen vijanden meer overhebt. Rivaliteit zal er altijd zijn zolang er mensen zijn. Je kunt hoogstens proberen om haar een tijdlang in bedwang te houden.
Niet begeren naar beloningen
Christelijke gastvrijheid is resoluut gericht op de naaste, altruïstisch, niet uit op eigen voordeel. De christen rekent niet op een wederdienst, althans niet hier op aarde. Christelijke naastenliefde is onbaatzuchtige, puur schenkende, niets terugverlangende liefde. De schenkende, zichzelf opofferende agapè staat tegenover de nemende, bezitterige eros en is alleen mogelijk omdat Gods Liefde alles doordringt.
Caritas is per definitie onbaatzuchtig, zoekt geen winst, wil geen ruil maar is gebaseerd op totale overgave en liefde. Je kunt als christen niet tegelijk God en de Mammon dienen. En volgens de Bergrede moet je bereid zijn om alles te geven wat je bezit, zonder om te kijken naar wat je ervoor terugkrijgt. Wie belangeloos geeft, zal daar wanneer het Rijk Gods aanbreekt ruimschoots voor worden beloond: maar zolang je leeft, mag de zucht naar een beloning geen overweging zijn.
In de christelijke tijd is gastvrijheid een zaak van naastenliefde, liefdadigheid en barmhartigheid. Gastvrijheid heeft te maken met aanspreekbaarheid, verantwoordelijkheid, het ingaan op een dringend appel, enz.
Gastvrijheid, hartelijkheid en jovialiteit is niet alleen iets van het hart, je moet er ook je hoofd bij houden.
