Geschiedenis van de parochie
(tekst Jan Goossens)
Van bij zijn ontstaan tegen het einde van de vijftiende eeuw is Borgerhout een moeilijk geval. Het ligt tussen Potvliet en Schijn op het grondgebied van de aloude Frankische nederzetting Deurne, maar staat wel sterk onder de invloed van de nabije en machtige stad Antwerpen. Doordat de kleine nederzetting sterk aangroeit door de toestroom van ondernemende migranten vanuit overal in Vlaanderen en Brabant en daarbuiten, verschilt de bevolking er jaar na jaar meer van die van het landelijke Deurne zelf. In Borgerhout vestigen zich vooral neringdoeners als vleeshouwers, bakkers en herbergiers.
De pastoor van de parochiekerk Sint-Fredegandus Deurne staat in voor de bediening van de sacramenten, maar de Borgerhoutenaren beschikken sinds 1536 wel over een flinke eigen Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Victorie, een cadeau van een welgesteld Spaans echtpaar aan “de ingezetenen en gegoeiden van Borgerhout, die tussen de twee slagbomen wonen”. Elke week moet er een mis opgedragen worden. Maar de betrekkingen met de parochie van Deurne lopen niet altijd even soepel en ook de woelige tijden sparen de kapel niet. Ze wordt beschadigd tijdens de Beeldenstorm in 1566, en zelfs verwoest tijdens de plunderingen na de Slag van Borgerhout in 1579. Het gehucht Borgerhout is dan zo goed als onbewoonbaar geworden… Pas na de Vrede van Münster kan men beginnen denken aan de wederopbouw van de kapel. Mede als gevolg van een dreigende schuldenlast wordt het een sober gebouw van 9 op 26 meter met een bescheiden toren met klokje en later ook een uurwerk. Pas tegen het einde van de achttiende eeuw raakt de kapel stilaan uit de financiële problemen. De kapel blijkt dan echter stilaan te klein en ‘s zondags moeten vele mensen vaak de mis volgen buiten de kapel. In 1808 krijgt de kapel daarom een voorportaal en in 1833 wordt de voorgevel meer naar voren geschoven.
De inval van de Franse revolutionairen zorgt dan opnieuw voor grote problemen omdat alle kerken en kapellen gesloten worden en de priesters moeten onderduiken. Wanneer de kerken weer mogen openen, geldt dat niet voor onze kapel, want die kreeg geen wettelijk statuut. Later wordt de overheid soepeler, maar de kapelaan wordt nu financieel wel helemaal afhankelijk van giften door kerkgangers. In 1823 krijgt de kapel eindelijk een wettelijk statuut.
Deurne is doorheen de tijden zijn landelijke zelf gebleven terwijl het groeiende en bloeiende Borgerhout een economisch welvarend centrum wordt. Op de duur zitten in de gemeenteraad van Deurne meer mensen uit Borgerhout dan uit het dorp Deurne zelf. In 1830 wordt de staat België opgericht en in 1836 wordt Borgerhout uiteindelijk ook een zelfstandige gemeente. Met zijn vierduizend inwoners is de tijd ook rijp voor een eigen parochie, die de naam ‘Onze-Lieve-Vrouw’ krijgt: ‘ter-Sneeuw’ komt er pas in 1862 bij. Eerste pastoor wordt Antoon Lauwers.
Vanaf 1840 is er in de nieuwe kerkraad sprake van de bouw van een nieuwe kerk. De kapel herstellen en opnieuw vergroten lijkt een hopeloze opdracht en de kerkfabriek heeft bovendien aanslepende moeilijkheden met ex-kapelaan Raps. De grond van de kapel wordt uiteindelijk aan de gemeente geschonken en de kerkfabriek krijgt in ruil een nieuwe kerk op het Laar. Architect Ferd. Berckmans tekent de plannen en in 1841 kan kardinaal Sterckx de eerste steen leggen van het gebouw, op te trekken door de firma Stevens uit Lier. In 1843 kunnen het beeld van Onze-Lieve-Vrouw-van-Victorie, de H. Vaten en de relikwieën plechtig worden overgebracht naar de nieuwe kerk, maar het duurt tot 1845 eer de kerk kan worden gewijd. Dat gebeurt op 5 augustus, de feestdag van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuw.
Opvallend aan de nieuwe kerk is vooral de voorgevel met ranke torentje. Schip en zijbeuken zijn daarentegen sober en onversierd gebleven, de gewelven zijn eenvoudig gepleisterd. Het vereerde beeld van Onze-Lieve-Vrouw-van-Victorie, dat jarenlang door ‘zes maegdekens’ in processies werd meegedragen, krijgt er een ereplaats. Het bevond zich al in de kapel in 1658, maar is mogelijk nog honderd jaar ouder. In 1856 ontwerpt J.B. Storms voor dit beeld een grote houten troon met vier grote panelen met beeldhouwwerk. Naar aanleiding van het vijfentwintigjarig bestaan van de parochie wordt in de kerk het hoogkoor nieuw geschilderd en worden er een nieuw hoogaltaar, een tabernakel en een credenstafel geplaatst.
Ondertussen beleeft Borgerhout alweer een ongekende groei: van 4000 inwoners in 1836 naar 14000 in 1872. De gemeente krijgt ook een heel ander uitzicht: het Laar wordt gekasseid, er worden nieuwe straten getrokken die al snel worden volgebouwd, er komt ook een nieuwe pastorie. Bovendien vestigen de zusters Ursulinen zich in het Gouden Leerhuis en richten er een meisjesschool op.
Na het overlijden van pastoor Lauwers in 1873 wordt Jozef Peeters plechtig ingehaald als nieuwe pastoor. Terwijl het gemeentebestuur zich na de cholera-epidemie van 1866 (276 doden!) bekommert om de oprichting van een gasthuis, kan de nieuwe pastoor zich bezighouden met de problemen van een overbevolkte parochie. Zeventienduizend parochianen kunnen voor hun zondagsmis niet terecht in een kerk voor vierduizend gelovigen. Er moet een nieuwe parochie bij opgericht worden, en dat wordt de Sint-Jansparochie: met haar nieuwe pastoor De Koninck neemt zij voorlopig haar intrek in de Zegelstraat.
In 1889 dient pastoor Peeters zijn ontslag in omwille van zijn zwakke gezondheid: hij zou het jaar nadien overlijden. Emiel Sacré, onderpastoor sinds 1869, wordt zijn opvolger en hij blijft pastoor tot 1922: hij is dus méér dan vijftig jaar actief in de parochie. In 1897 vestigt de Sint-Aloysiuskring zich in de Reuzenpoort, waar later ook nog een schooltje geopend wordt, en in de Zonstraat gaat voor de parochie nog een andere feestzaal open. Ook het kerkgebouw zelf moet worden aangepakt: voorgevel en zijgevels worden hersteld, en sacristie, kleedkamer en magazijn worden vergroot. En bij het begin van de twintigste eeuw blijkt opnieuw het aantal parochianen te groot en moet de parochie dus verder opgesplitst worden. Zo ontstaan de nieuwe parochies van de H. Familie en Sint-Anna.
In 1922 dient pastoor Sacré ontslag te nemen omwille van zijn zwakke gezondheid. Hij zal overlijden in Borgerhout in 1926. Zijn opvolger is Augustinus Bruynseels, die tijdens W.O. I kardinaal Merciers afgevaardigde was bij de Belgische vluchtelingen in Nederland. Onder zijn bestuur komt er alweer een herschikking van de parochies, want de gemeente Borgerhout neemt meer dan 100 ha over van de gemeente Deurne, en in dit ‘Nieuw-Borgerhout’ worden parochies hertekend en nieuw opgericht. Zo ontstaan de parochies van O.-L.-Vrouw-van-het-Heilig-Hart en H. Drievuldigheid.
Pastoor Bruynseels mag meteen al het grote feest organiseren bij de inzegening van het H.Hartbeeld op het Laar. De massale opkomst van gelovigen daarbij is de vrucht van een intens parochieleven met allerhande congregaties, broederschappen, bonden, werken, verenigingen, genootschappen, komiteiten en kringen. En de pastoor is ook een grote propagandist van het ‘Leekenapostolaat” en de “Katholieke Actie”. Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuw wordt zo een van de meest bloeiende parochies van het aartsbisdom. Niet te onderschatten daarbij is ook het werk van Berghmans, Van Minnebruggen en Matheve, drie flinke onderpastoors. Verder zijn het Sint-Aloysiuspatronaat voor de jongens en het Patronaat O.L.V.-ter-Sneeuw voor de meisjes de belangrijkste organisatoren van culturele, opvoedende en ontspannende activiteiten tijdens het interbellum. Vanaf 1931 kan de parochie voor haar activiteiten ook beschikken over de nieuwe gebouwen in de Drink. Hoogtepunten in het parochieleven zijn de processie van het H.Sacrament in 1936 en de eeuwfeestviering van de parochie in 1937.
Maar in het parochieblad wordt in de jaren dertig ook regelmatig verwezen naar de moeilijke toestand waarin de mensen verkeren. De economische depressie vanaf 1930 brengt vooral forse loondalingen en werkloosheid. Het is volop crisis, die eerst maar traag afzwakt en in 1939 plots weer opflakkert. Het is de voorbode van een nieuwe wereldoorlog…
In 1940 gaan vele parochianen weer even op de vlucht, en daarna is het dus alweer wennen aan een Duitse bezetting. En dat is moeilijk, door gebrek aan levensmiddelen maar ook door opvorderingen, jodenvervolging, verplichte tewerkstelling, executies, deportaties… De parochianen nemen in elk geval hun kerkelijke plichten wat beter in acht.
Op 3 juli 1942 verliest de parochie helaas haar sterke pastoor: August Bruynseels overlijdt op 61-jarige leeftijd na enkele zware chirurgische ingrepen. Zijn opvolger is Maurits Boon, een zachtmoedig man die als fietsende pastoor spoedig de sympathie van zijn parochianen verwerft.
In 1944 worden nog twee klokken door de Duitsers opgeëist, maar even later wordt Antwerpen door de geallieerden bevrijd. Dat gaat wel gepaard met zware beschietingen vanuit Merksem, maar de terreur stijgt ten top wanneer de Duitsers in oktober hun vergeldingswapen inzetten. De inslagen van 20 V1-bommen en 15 V2-bommen op Borgerhouts grondgebied eisen een zware tol aan mensenlevens, maar voor de parochie is vooral 2 november een zwarte dag: om 20.10 uur slaat een V2-bom in op de epistelkant van de kerk. De ravage is groot en het kerkgebouw is definitief verloren. Alleen het tabernakel en de preekstoel zijn intact gebleven. Maar de parochianen stropen de mouwen op en dezelfde nacht nog wordt zoveel mogelijk puin geruimd en wordt er gerecupereerd wat nog bruikbaar is. In de bovenzaal van de Reuzenpoort wordt ook meteen een noodkapel ingericht met ingang langs de Zonstraat. De volgende morgen al wordt er mis gelezen.
Vanaf 1952 begint de firma D’Hulst met de afbraak van de geteisterde kerk, maar helaas sneuvelt daarbij ook de ongeschonden preekstoel… Maar het werk aan de nieuwe kerk begint onmiddellijk daarna. De Borgerhoutse architecten J.L. Stijnen en J. Willems hebben een moderne basilica in paarsbruine paramentsteen getekend met flinke afmetingen: 70,30 m. lang, 32 m. breed en met een toren van 56 m. hoog.
De architecten betrekken bij de planning ook de nieuwe pastoor Van Beylen die ondertussen pastoor Boon is opgevolgd. En na 650 werkdagen is het zover: op 18 november 1954 wordt de kerk plechtig ingewijd door Mgr. Suenens. Het interieur is sober, want de verfraaiing is voor later. Opvallend zijn wel het ciborium op vier hoge zuilen met altaar in arbescatomarmer, het geelachtig glas van de ramen, de groenachtige tegels van de vloer én de vloerverwarming.
Helaas hebben al die materiële beslommeringen teveel gevergd van pastoor Van Beylen: na een langdurige ziekte overlijdt hij op 19 november 1956. Zijn opvolger wordt Jozef Luyten, die zich al spoedig laat kennen als een veelzijdig begaafd priester en vooral: een betrouwbare geestelijke leidsman voor zijn parochianen. Wanneer enkele jaren later het concilie flinke hervormingen in de kerk op gang brengt, blijkt hij ook een deskundige gids te zijn naar een vernieuwd geloof.
Er wachten de nieuwe pastoor heel wat materiële zorgen. De lokalen in de Reuzenpoort worden heringericht, maar ook in het kerkgebouw is er nog veel werk. Het nieuwe altaar van O.-L.-Vrouw-van-Victorie wordt ingewijd, er komen twee nieuwe klokken, het nieuwe orgel (uit het Civitas Dei-paviljoen van Expo 58) wordt ingespeeld en daarachter komt het grote glasraam van Marc De Groot, die ook het hoge glasraam ontwerpt achter de nieuwe marmeren doopvont van Louis Stijnen.
In 1958 wordt de eerste viering van de Reuzenpoortkermis een groot succes, ook financieel: er is veel geld nodig voor het werk aan de nieuwe kerk en de oude parochielokalen. Maar het grote succes is de verbroedering tussen de parochianen: de bezoekers van de kermis én de werkers op de kermis. De kermis wordt dan ook een jaarlijks hoogtepunt in het parochieleven.
In de jaren vijftig zijn er ‘s zondags zeven missen en op weekdagen vijf. Daarvoor zijn er celebranten nodig, maar ook acolieten. Die vormen een hechte groep die soms de allure aanneemt van een jeugdbeweging. De drukst bezochte missen zijn de maandelijkse missen van de H.Hartbonden.
Na de oorlog is alweer een bloeiend parochieleven gegroeid. In 1945 ontstaat de K.A.V, de vereniging voor katholieke arbeidersvrouwen. De Kring voor mannen is ook aan vernieuwing toe en vervelt in 1952 tot K.W.B., de Katholieke Werknemers Beweging, en in 1958 gaat de K.B.G. van start: de Kristelijke Bond van Gepensioneerden. De aloude patronaatswerking op de parochie vervelt tot Chiro, die ook vele nevenactiviteiten ontplooit. In 1967 gaat in de Gen. Eisenhowerlei het jeughuis ‘De Cluys’ open, dat een hele waaier aan initiatieven neemt.
In 1976 begint zuster Mia Bamps in onze parochie haar stagejaar als pastorale werkster: een flinke aanwinst voor onze parochie, en ze wordt het jaar nadien hier ook officieel aangesteld.
In 1983 neemt pastoor Luyten afscheid van zijn parochie met een plechtige dankviering en een feestmaal. Zijn opvolger is Mark Vranken, sinds 1970 onderpastoor. Hij zorgt voor continuïteit, samen met pastorale werkster Mia Bamps en later ook diaken Hugo Depoorter. Maar de tijden zijn moeilijk, door de veroudering van de kerkgangers, door de wijzigingen in de bevolking van Oud-Borgerhout en vooral door de toenemende secularisering. Ondanks hun inspanningen komen meer en meer parochiale verenigingen in de problemen, vooral omdat de drijvende krachten stilaan wegvallen. Het 150-jarig jubileum van de parochie wordt plechtig gevierd met o.a. een tentoonstelling van de kerkschatten. Wanneer de pastoor van de H. Familie met pensioen gaat, wordt Mark Vranken ook nog pastoor van onze buurparochie. Ons pastoraal trio zorgt ook nog voor een verbouwing binnen het kerkgebouw: een brede gang en enkele lokalen onder de toren worden omgetoverd tot een heel bruikbare feest- en vergaderzaal. De kerkraad laat zonnepanelen op het dak leggen en zorgt voor nieuwe vloerverwarming in een deel van de kerk. De pastorale teams verzetten heel wat werk en vooral de liturgie blijft voorwerp van bijzondere zorg: de gezinsmissen worden dan ook druk bijgewoond.
Wanneer in 2014 pastoor Mark Vranken, pastorale werkster Mia Bamps en diaken Hugo Depoorter zowat samen de pensioenleeftijd bereiken, worden zij feestelijk uitgewuifd met een plechtige dankviering. Voor de parochie begint dan een nieuwe toekomst binnen de pastorale werking van de grootstad die ook zelf stilaan haar eigen toekomst moet uitbouwen.
