Eerste lezing: Joz 5, 9a.10-12
Tweede lezing: 2 Kor 5, 17-21
Evangelie: Lc 15, 1-3. 11-32

Vandaag hoorden we 3 lezingen waarin er sprake is van vreugde, feest, van een nieuw begin.

Jozua is met het ganse volk aangekomen in het Beloofde Land, na een tocht van 40 jaar. De zwerftocht is ten einde. Voor de eerste keer kunnen ze Pasen vieren in het land waar ze van droomden. Ze kunnen genieten van de producten van het land zelf en oogsten wat ze zelf gezaaid hebben. Een nieuw begin wacht hen. Er heerst vreugde. Het is feest.

Ook Paulus spreekt over een nieuw begin. Hijzelf heeft een nieuwe start gemaakt na zijn ontmoeting met Jezus toen hij op weg was naar Damascus. Sindsdien voelt hij zich herboren en nu wil hij de christenen in Korinthe in zijn vreugde laten delen: Wie één is met Christus leeft in een nieuwe schepping. Hij denkt hierbij ook vooral aan de vergeving die God ons schenkt: God rekent onze zwakheid niet aan, we kunnen rekenen op zijn vergevingsgezindheid.

Die vergevingsgezindheid horen we ook in het evangelie, het evangelie van de verloren zoon, of moeten we zeggen van de barmhartige vader? Of misschien wel van de 2 verloren zonen?

De jongste zoon vraagt zijn erfdeel. De vader geeft hem dit ook gewoon, zonder morren, zonder de zoon de les te spellen, zomaar zonder meer. Hij geeft zijn zoon de vrijheid om zelf te kiezen wat hij gaat doen. En de zoon vertrekt, naar een ver land waar hij nogal kwistig met zijn erfdeel omgaat. Na verloop van tijd is alles op en moet hij zelfs de varkens gaan hoeden. Voor een jood is dit dus het einde, dieper kan je niet meer vallen. Hij krijgt spijt en keert terug naar zijn vader.
De vader heeft zijn zoon zomaar laten vertrekken. Hij had hem ook het erfdeel nog niet kunnen geven, ofwel veel raad kunnen geven, kunnen tegenhouden. Maar nee, hij laat hem gaan. Hij geeft hem de vrijheid. Toch moet hij wel ongerust zijn geweest, gehoopt hebben op, vermits hij op de uitkijk gaat staan. Op een dag is het dan zover. Daar komt zijn zoon terug aangelopen. Groot feest, veel vreugde. Toch bij de vader.
De oudste zoon heeft het echter zo niet begrepen. Heel zijn leven heeft hij plichtsgetrouw zijn taak vervuld, hard gewerkt. Hij heeft nooit zo’n feest gekregen. Hij wil niets meer met zijn broer te maken hebben, hij noemt hem zelfs zo niet meer. Voor de buitenwereld is hij de perfecte zoon. Maar er ontbreekt iets. Innerlijk blijft hij zonder liefde, hij kan zijn broer niet vergeven. Of hij uiteindelijk wel mee gaat feesten, weten we niet. Dat staat nergens geschreven.

Telkens ik deze parabel hoor, verwonder ik me erover hoe actueel hij eigenlijk nog is.
Ook vandaag zijn er nog jongeren die verloren lopen. Verslaafde jongeren, mensen die geen doel meer hebben in de maatschappij. Ik denk dan ook aan bv die daders van al dat zinloos geweld. Ook zij gaan de verkeerde weg op.
Hebben zij een vader of moeder die op hen wacht tot ze de weg naar huis terug vinden?

Ook vandaag zijn er mensen die geen tweede kans krijgen: ex-gevangenen, vreemdelingen. Ze vinden geen werk, geen woonplaats. Ze worden telkens doorverwezen. Hebben zij iemand die het voor hen opneemt?

En dan vraag ik me af waar we zelf staan in dit verhaal?
Kunnen wij zijn zoals de vader: barmhartig en vergevingsgezind? Blij zijn voor iemand die de verkeerde weg genomen had en is teruggekeerd? Willen we naar buiten treden om iemand de goede weg te tonen?
Zijn we zoals de oudste zoon? Niemand een tweede kans geven?
Of zijn we zoals de jongste zoon? Durven we onze fouten erkennen en ons toevertrouwen aan de Vader, de Vader van vergeving en barmhartigheid? Komen we ertoe om bij Hem een voorbeeld en een toevlucht te vinden?
En kunnen wij dan een gemeenschap worden, een gemeenschap waar iedereen, jong-oud, onopvallend maar ook buitenissig, met welk verleden dan ook, welkom is?