Eerste lezing Hand 12,1-11
Tweede lezing 2 Tim 4,6-8.17-18
Evangelie Mt 16,13-19
Vandaag vieren we de feestdag van de heiligen Petrus en Paulus, 2 belangrijke heiligen binnen onze kerk. Als men ze afgebeeld ziet, herkent men Petrus aan zijn sleutels en Paulus aan het zwaard. Beide zouden op 29 juni berecht zijn. Daarom is het vandaag deze feestdag.
Nu kan er tussen hen wel geen groter verschil zijn.
Petrus, zijn eigenlijke naam was Simon, was een arme visser. Heel waarschijnlijk kon hij dus niet lezen of schrijven. Hij woonde in Galilea, een gebied waar de mindere joden woonden.
Paulus, zijn oorspronkelijke naam was Saulus, daarentegen, was opgegroeid in de Griekse wereld. Hij was als Farizeeër hoog opgeleid en was aanvankelijk een christenvervolger. Hij zag in de Jezusvolgers zoals men ze toen nog noemden, een gevaar voor de joodse wereld.
Toch zijn ze beiden volgeling van Jezus geworden.
Petrus werd door Jezus zelf geroepen. Hij heeft een tijd met Jezus samengeleefd, een tijd met Jezus opgetrokken. Niet dat dit altijd even vlekkeloos verloopt. Denken we maar aan het verraad op de avond van Jezus’ lijden en dood. Maar in de evangelielezing vandaag horen we een andere Petrus. Hij is het die een antwoord geeft op de vraag van Jezus: ‘Wie zeggen jullie dat Ik ben?’ De altijd spontane Petrus antwoordt: ‘Jij bent niet zomaar een profeet, neen, Jij bent de Messias, de Zoon van God.’ Dit is het moment waarop hij de waarheid ziet. Petrus is de eerste die Jezus herkent en erkent als de Zoon van God. Volgens Jezus kwam het antwoord niet uit hemzelf, dit was niet het antwoord dat een gewone mens kon geven, maar werd het hem door God ingegeven. En het is dan dat Jezus Petrus aanstelt als de leider van zijn Kerk die nog opgebouwd moet worden: ‘Jij bent Petrus, op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen.’
In de eerste lezing konden we dan horen hoe het rotsvast vertrouwen van Petrus in God hem redt. Petrus ligt te slapen in een kerker, te wachten op zijn dood. Geketend aan soldaten, wachters voor de poort. Geraakt daar maar weg. Maar het is God zelf die Petrus bevrijdt uit deze kerker.
En dan Paulus. Hij heeft de levende Jezus niet gekend. Op weg naar Damascus, om daar de Jezusvolgers uit te roeien, heeft hij een visioen. Een visioen waarin Jezus hem vraagt waarom hij Hem vervolgd. Paulus is hier zo door geraakt dat hij zich bekeert en laat dopen in de naam van Jezus. Hierop begint hij het ware geloof te prediken. Het ware geloof, de blijde boodschap van Jezus. Voor hem werd het gebod van de liefde voor God en de medemens het eerste gebod. Hij trekt van volk tot volk, vooral naar de heidenen, de niet-joden. Iedereen is welkom. Hij zorgt ervoor dat zij de joodse wetten niet moeten naleven. Overal waar hij komt, sticht hij geloofsgemeenschappen. Om die te ondersteunen, aan te moedigen, schrijft hij vele brieven. Die kennen wij nu nog. Het zijn de oudste geschriften uit de bijbel.
In de tweede lezing treffen we hem aan vlak voor zijn dood. Jezus’ boodschap uitdragen was blijkbaar niet helemaal zonder gevaar. Nu nog blijft hij brieven schrijven. Hier aan zijn metgezel Timoteüs. In deze brief laat Paulus als het ware zijn testament na. Hij geeft Timoteüs de opdracht zijn werk voort te zetten: ‘Blijf die goede boodschap uitdragen. Het mag hier niet stoppen. Het mag niet stoppen bij mijn dood.’
En dat heeft het ook niet gedaan. Tot op de dag van vandaag wordt de boodschap van Jezus verder verteld.
Beste mensen, Petrus en Paulus hebben het ons voorgedaan: vasthouden aan je overtuiging in navolging van Jezus, de juiste beslissingen nemen op basis van naastenliefde en geloof in God en je daarvoor inzetten. Niet opgeven, hoe moeilijk het soms is. En vooral: blijf het doorgeven.
Laten wij dat ook proberen: opkomen voor ons geloof, ons geloof bewaren maar het ook doorgeven.
Ook als het eens niet zo gemakkelijk is.
Amen
