Eerste lezing: Dt 30, 10-14
Evangelie: Lc 10, 25-37
Je zit op een bank in het park en plots vraagt iemand je: “Mag ik naast jou komen zitten?” Je maakt plaats en zo kan het gebeuren dat er ontmoeting tot stand komt. Iemands naaste worden hangt soms van weinig af, soms meer van toevalligheden dan van wat je plant. Als we maar de vraag verstaan die er vanuit klinkt.
Daarover gaat het ook in de lezingen van deze zondag. God zelf wil naaste van ons worden, Hij wil dicht naast ons in het leven komen staan, heel gewoon, bijna zoals op een bank in het park tijdens een zomerse namiddag. Met de vraag of Hij zo voor ons iets mag betekenen. Het hangt maar af van een woord, een gebaar van ons of dat kan. We kunnen zeggen: ik heb daar nu geen tijd voor, of: er is hier niet genoeg plaats voor ons twee op die bank. En het leven gaat verder, er is niets gebeurd.
Maar niet zo voor God. Hij dringt aan, laat niet los, blijft om aandacht vragen. In de eerste lezing gebeurt dat bij monde van Mozes. Hij roept ons op om onze oren niet toe te stoppen voor Gods woord maar er met heel ons hart en onze ziel gevoelig voor te zijn. Het woord dat God ons, mensen, heel genegen is. ‘Genegen’ en ‘nabij’ zijn woorden die heel dichtbij elkaar liggen. Dat God ons genegen, ons nabij is, moeten wij niet ver zoeken. Het woord van God ligt in onze mond en in ons hart. God is ons dichter bij dan wij vermoeden.
Gods vraag om dicht naast ons te mogen komen staan, horen wij nog meer in de parabel van Jezus over de Barmhartige Samaritaan. Het is geen zaak van kennis en verstand. Het is je hart laten spreken. Het is je buigen over de mens in nood. In de mens die daar halfdood langs de kant van de weg ligt, spreekt God ons aan en vraagt Hij of we Hem naast ons willen weten. Of Hij onze naaste mag worden. Er zijn veel redenen te bedenken om daar niet op in te gaan. Veel redenen om God niet te ontmoeten. Ook ik, ook jij, niemand van ons ontsnapt daaraan. Geen tijd, geen zin, geen nood. Maar misschien lukt het ons die ene plotse keer wel. Soms zijn het zelfs onverwachte anderen die ons tonen hoe het kan, iemands naaste worden. Zoals in de parabel die Samaritaan, een niet-volksgenoot dus.
Mag het ons gegund zijn dat soms ook in eigen leven te ervaren. Dat iemand vraagt, onverwacht en onverdacht: mag ik naast jou op die bank komen zitten? En dat we dan achteraf kunnen zeggen: God, was jij het die zo dichtbij mij wilde zijn?
