Zending van de leerlingen
Eerste lezing: Js 66, 10-14c
Evangelie: Lucas 10, 1-12.17-20
Jezus zendt wel 72 leerlingen op pad om de blijde boodschap van het Rijk Gods te verkondigen. Ik hoop van harte dat we deze actie, deze zending heel goed herkennen en begrijpen, want het is uiteindelijk wat Jezus’ verhaal ook bij ons teweeg brengt, dat we – waar we leven en waar we ook gaan – de boodschap van onze God van Liefde en Vrede bij de mensen brengen.
Jezus geeft in dit verhaal uit het evangelie een aantal specifieke richtlijnen mee. Richtlijnen waarbij we af en toe de wenkbrauwen zouden kunnen fronsen.
Waarom zou je niemand mogen begroeten? Vermoedelijk gaat dit over de manier waarop men in het toenmalige Oosten iemand begroette. Dit was namelijk een zeer uitgebreid ritueel waardoor de leerlingen van Jezus allicht veel tijd zouden ‘verliezen’ als ze er steeds op zouden ingaan. Het was verstandiger om eerst in sneltempo op weg te gaan om dan ‘ter plaatse’ de mensen te leren kennen.
‘Eet en drink wat u wordt voorgezet.’ Uiteraard, hoor ik u denken, maar dat was niet zo vanzelfsprekend omdat de leerlingen, de meest toch, joden waren die zich aan de spijswetten hielden. ‘Niet het belangrijkste’, horen we Jezus hier tussen de regels zeggen. De gastvrijheid dient gerespecteerd. En het brengen van het Rijk van God is nog belangrijker. In dit Rijk van God is iedereen welkom: mensen die arm zijn, mensen die problemen hebben, geestelijk of lichamelijk, mensen die een andere religie hebben, zondaars of wie verdwaald is… Dit Rijk wordt waargemaakt wanneer mensen naar het woord van God leven en het heeft vooral niets te maken met rijkdom, met succes of met machtsvertoon.
De leerlingen van Jezus nemen dan ook niets mee voor onderweg, geen geld, geen schoenen. Wat zij meebrachten was VREDE. Hoe toepasselijk is dit, ook in deze tijd. Ik heb gelezen dat het joodse woord ‘sjaloom’ méér zegt dan ‘vrede’ of méér dan ‘geen oorlog’. Het gaat over harmonie, over te-VREDE-nheid bij de mens, die te vinden is in de relatie met zichzelf, met zijn medemens, met zijn omgeving en met God. Hoezeer verlangen mensen deze tijd naar dat soort vrede…
Ook wij hebben de opdracht gekregen bij ons vormsel, toen we de gaven van de Heilige Geest ontvingen, om de Blijde Boodschap te verkondigen, op de plaats waar wij leven en werken. Ieder mag dat doen met zijn eigen talenten en krachten, met woorden maar vooral met daden. En daarvoor moeten we ons niet opsluiten in onze eigen kleine kring, in onze eigen vastgeroeste gewoontes. We worden er juist op uit gezonden om nieuwe wegen te durven bewandelen. Er ontstaan immers steeds nieuwe noden waarop we op onze eigen manier een antwoord kunnen geven.
Dat we daarbij ‘onreine geesten’ en ‘duivels’ tegenkomen en moeten overwinnen, daar moeten we niet aan twijfelen. Er zijn heel wat hedendaagse demonen die onze droom van het Rijk Gods in de weg staan. Denk maar aan de grote hoeveelheden drugs die onze straten overspoelen, met alle angst en zorgen vandien, of denk aan de vervuiling van ons milieu, of denk aan het groot geldgewin op de kap van eenvoudige mensen, of denk aan de vreemdelingenhaat die mensen tegen elkaar opzet, of aan de social media die volgens mij helemaal niet sociaal, eerder a-sociaal is.
Wat wij echt nodig hebben is hoop voor de toekomst, verbinding met elkaar, op de plaats waar we wonen, warme vriendschap, vergeving en nieuwe kansen, eenvoud die siert…
Twee per twee worden we gezonden, dat betekent zoveel als ‘in gemeenschap’, in ‘verbondenheid’ met elkaar. Dat lukt hier vrij goed in Borgerhout, dat kun je zien en voelen. Het is niet altijd makkelijk. Maar er is zo’n gezegde: ‘God heeft geen andere handen dan onze handen, geen andere woorden dan onze woorden, geen ander hart dan ons hart, om liefdevol in deze wereld aanwezig te zijn.’ Daaraan zie je dat je écht niet van alles moet inpakken om mee te nemen op je weg, geen overbodige spullen, geen trukendozen, geen begoocheling, geen reclamefolders… Gewoon jezelf vredevolle, liefdevolle zelf zijn, mag genoeg zijn. Dit mag ons aanmoedigen om verder te gaan op die hobbelige weg naar het Rijk Gods.
En tot slot: ‘Als gij ergens binnengaat, blijf dan daar, tot gij weer afreist.’ Dat lijkt een beetje op hoe Jezus het aanpakte. Hij was te gast bij een tollenaar of bij hardwerkende vrouwen, bij mensen met een beperking, bij mensen waar niemand nog om gaf. Het ging in ieder geval om zeer persoonlijke ontmoetingen. Geen oppervlakkigheid te bespeuren. Dat is niet zo vanzelfsprekend in tijden van wantrouwen. Het vraagt tijd en vertrouwen.
En dat is nu net wat er soms ontbreekt in deze haastige tijden. Daarom… beschouw ik het geen verloren tijd als ik een tijdje op een hoek van de straat aandacht besteedt aan één van de buren die ik al een tijd niet meer zag, ben ik vereerd als ik tijdens een gesprek in de gevangenis mag genieten van de gastvrijheid op een cel van één van de gedetineerden, voel ik me net als één van die 72 apostelen als ik erop uit ga naar een psychiatrische instelling aan de andere kant van het land om iemand te bezoeken die amper bezoek krijgt… Beschouw het niet als verloren tijd als je een zieke buur bezoekt, of boodschappen doet voor iemand, of conversaties in het Nederlands voert met een buur die nog veel moet oefenen…
God heeft geen andere handen dan onze handen, geen andere woorden dan onze woorden, geen ander hart dan ons hart, om liefdevol in deze wereld aanwezig te zijn.’ Laat ons samen op pad gaan. Wondere dingen kunnen gebeuren. Laten we gaan… (MvG)
