Eerste lezing: Sir. 35, 12-14, 16-18

Evangelie: Lc 18, 9-14

Lieve mensen

Om het evangelie van vandaag ten volle te begrijpen wil ik eerst een oog werpen op de eerste lezing. Daar lezen we dat de ‘rechter’ de aalmoes ten koste van de arme niet aanvaart maar wel het gebed van de arme. Want de ‘rechter’ luistert naar het pleidooi van de verdrukte. Dit pleidooi mag dan wel doordringen tot in de wolken, het rust niet totdat het gehoord wordt.

Jezus die opkomt voor de verdrukte mens radicaliseert dit. Radicaal in de juiste betekenis van de wortel, de radix van wat er gegeven is. Jezus geeft ons een schijnbare gelijkenis, die we als spiegel voor ons kunnen houden maar vergis je niet. We moeten ons niet spiegelen aan de Farizeeër nog aan de zondaar. Jezus laat ons zien welke ‘gebeden’ er gehoord worden. En dan gaat het niet om ‘wie’ ze opzegt. Jezus wil ons doen nadenken over onze ‘intentie’. Op welke wijze komen wij aankloppen bij de Heer, bij God de Vader.

Of je nu kennis hebt van zaken, zoals de Farizeeër of je bent een zondaar. Daar gaat het bij Jezus in eerste instantie niet om. Wel hoe jij je richt in je gebed tot de Vader, tot God. Wie zijn ‘ego’ niet op zij kan zetten, en dat geldt zowel voor de Farizeeër als de zondaar die mag zoveel pleidooi houden als hij wil, zijn woorden zullen niet eens de ‘wolken’ bereiken. Maar diegene die zijn ware ‘ik’ in de spiegel wil herkennen die zal gehoord worden.

En dat is eigenlijk ons niet zo vreemd. Want zoals ik al zij is dit een ‘schijnbare’ gelijkenis. Wij zouden ons kunnen identificeren met de Farizeeër, maar Jezus zegt zelf al dat die een huichelaar is want zijn ‘intenties’ zijn verkeerd. Hij is de hoogmoedige, egoïst die het wel weet maar zijn handelen verdraagt het ligt niet. Ik denk dan en zeg tegen mezelf: Marc wat meer bescheidenheid is hier op zijn plaats. We zouden ons kunnen identificeren met de zondaar, want zijn ‘gebed’ wordt gehoord. Ik denk dan en zeg tegen mezelf: Marc moet je nu echt eerst fouten maken voordat je je kan en mag richten tot God de Vader.

Je merkt het dat is niet de ware spiegel die Jezus ons voorhoudt. Het is eerder een ‘bespiegeling’ die ons afhoudt van waar het hier echt om draait. In wezen zijn we allemaal zondaars dus ook de ‘Farizeeër’ onder ons. Allen zijn we dus uitgenodigd door Jezus om recht in de spiegel te kijken en eerlijk naar onszelf te kijken. Ons handelen in een juist perspectief te plaatsen en dus afstand te doen van ons ‘ego’ opdat we de ‘waarheid’ van ons handelen kunnen achterhalen. Als we onze daden nu eens van meerdere kanten bekijken en onze enge, verstarde visie van het eigen gelijk, opzijzetten, komen we pas tot inzicht. Dat is waar Jezus ons op aanspreekt. Woorden als ‘berouw’, ‘vergeving geven’ en ‘vergeving vragen’ zijn dan de barstjes in de aarde die ervoor zorgen dat het goede zaadje ontkiemen mag.

Op het eerste gezicht lijkt het of Jezus een oordeel velt over de Farizeeër en de zondaar maar dat is ‘schijn’. Net zoals de rechter in de eerste lezing is het God de Vader die steeds luistert naar de pleidooien van zij die oprecht klagen: “Hij wijst het gezucht van de wezen niet af, noch van de weduwe wanneer zij blijft klagen.”

Jezus laat in deze ‘schijnbare gelijkenis’ zien dat ieder van ons de mogelijkheid heeft om het volgende te realiseren: “Wie anderen bijstaat, wordt welwillend ontvangen, en zijn gebed verheft zich tot de wolken toe.” Dat hebben we daarnet in de eerste lezing gehoord. En ik moet zelf bekennen ik heb er vele malen overgelezen bij het voorbereiden van deze getuigenis. En meer dan anders heb ik mijn ‘oor’ te luisteren moeten leggen om dit op het spoor te komen.

En het is echt niet zo moeilijk om dit te begrijpen. Denk nu maar al aan de voorbeden die we zo dadelijk zullen uitspreken. ‘Voor’ – beden. We bidden in de eerste plaats niet voor onszelf maar voor hen waarvan we oprecht menen dat ze verdrukt worden, aan de rand van onze samenleving staan. Wij willen hen bijstaan maar ons ‘handelen’ schiet te kort en we hebben er hulp bij nodig. Weet dan dat als we dit oprecht menen, echt inzien dat we maar ‘kleine’ mensen zijn, God onze gebeden verhoort. (MD)