Eerste lezing: Jes 25,6a. 7-9

Tweede lezing: Rom 8, 31b-35. 37-39

Evangelie: Joh 11, 17-27

Gisteren vierden we het feest van Allerheiligen, het feest waarop we diegenen herdenken die tijdens hun leven op een bijzondere manier getuigd hebben van hun geloof in Jezus Christus.
Vandaag is het Allerzielen, de dag waarop we denken aan onze eigen overledenen, familieleden, vrienden, buren die van ons zijn heengegaan. Iedereen hier aanwezig heeft al eens met de dood te maken gehad, een vader of moeder, broer of zus. En dan komen dikwijls de vragen: ‘Waarom? Waarom juist hij? Waarom juist zij? Waarom nu?’ Dikwijls ook: ‘Hadden we iets kunnen doen om dit te voorkomen?’ En vooral: ‘Wat nu? Hoe moeten we verder?’ Vragen waar wij nu mee zitten. Vragen die van alle tijden zijn.

In het evangelie hoorden we maar een stukje uit het lange verhaal van de opwekking van Lazarus. Ook Marta en Maria hebben het moeilijk bij het overlijden van hun broer Lazarus. Toen Lazarus ziek was, hebben ze een boodschap naar Jezus gestuurd want ze wisten dat Hij zieken kan genezen. Maar toen Jezus eindelijk aan kwam, was het te laat. Lazarus was al overleden.
Marta, die Jezus tegemoet ging, zei hem: ‘Heer, als je hier geweest was, was Lazarus niet gestorven.’ Dit klinkt halvelings als een verwijt, maar ook als een uiting van haar verdriet, van ontgoocheling. Maar Jezus verzekert haar dat haar broer zal opstaan. Ja, dat weet Marta al wel, daar is ze zeker van. Haar broer zal opstaan op de laatste dag.
Maar voor Jezus is dit niet genoeg, het is niet alleen opstaan uit de dood maar: ‘Wie in mij gelooft, zal eeuwig leven.’
Is dat nu niet de zin die wij aan het einde van geloofsbelijdenis uitspreken: ‘Ik geloof in het eeuwige leven.’, een fundament van ons christelijk geloof.
Alleen, niemand weet hoe dit eeuwige leven eruit ziet. Niemand weet wat er met ons gebeurt na onze dood.
Wel kennen we het fenomeen van de bijna-doodervaring. Mensen die dit meemaakten, spreken bijna allemaal over een licht aan het einde van de tunnel. Sommigen zeggen ook dat ze geliefde personen, die reeds lang overleden zijn, terug gezien hebben, dat deze hen tegemoet kwamen. Ook een gevoel van uiterste vrede, van uiterst geluk komt dikwijls voor.
Is dit te vergelijken met het eeuwige leven? Wie zal het zeggen. Voor ieder van ons blijft de dood en wat erna komt een groot mysterie.

In het evangelie horen we dat Jezus de dood overwint.
Ook in de eerste lezing komt dit naar voor. Jesaja zegt immers dat de Heer de dood voor immer zal vernietigen. De Heer doet zelfs meer: Hij zal de tranen van onze gezichten afwissen. Verdriet mag niet het laatste woord hebben. Hij wordt niet voor niets ‘Ik zal er zijn’ genoemd. Hij laat zien dat Hij met ons meeleeft.  Dit is de ware liefde van God voor ons allen.
Dit is wat Paulus ook in zijn brief schrijft. Hij stelt de christenen van Rome maar ook ons gerust. Niets kan ons scheiden van de liefde van God, geen ziekte, geen kwaad, geen vervolging maar ook de dood niet.
God blijft ons liefhebben, over de dood heen.
Bij de voorbeden hebben we de namen genoemd van diegenen uit de parochie die het voorbije jaar van ons zijn heen gegaan. Zij mogen nu rusten in Gods vrede. En ook al zijn zij en al onze dierbare overledenen niet meer onder ons, zolang ze in onze herinnering blijven leven, zolang wij over hen blijven praten, zullen ze ons nooit echt verlaten.

Ze zijn niet ver weg, net aan de andere kant van de weg.