Eerste lezing: Ex 37, 12-14

Tweede lezing: Rom 8, 8-11

Evangelie: Joh 11, 1-45

Heer, als Gij hier waart geweest zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik dat wat Gij ook aan God vraagt, God het u zal geven” (Joh. 11, 21-22). Deze woorden van ons zondagsevangelie zeggen veel over wat er omgaat in Marta en Maria, maar evengoed in ieder van ons. Ze zijn tegelijk uitdrukking van onze eigen onmacht en van menselijk geloof in God als “almachtige Vader”. Wellicht verbergen die woorden ook een sluimerende aanklacht: Heer, waarom waart Gij niet hier? God, waarom hebt Gij dit laten gebeuren ?

Is dit niet ook ons eigen gebed op bepaalde momenten? Onder ons geloof schuilt vaak een stille worsteling, soms zelfs een verborgen aanklacht: Heer, waarom hebt U dit toegelaten? Waarom hebt U niet ingegrepen? Wij dragen die spanning in ons mee—tussen vertrouwen en twijfel, tussen geloof en ervaring. Vooral in de laatste weken van de vastentijd, wanneer wij het lijden van Christus overwegen, wordt die spanning voelbaar. Op een bepaalde manier is deze spanning zelfs een deelname aan zijn kruis.

Het kruis van de onmacht kennen we onder duizend en één vormen. De uiteindelijke onmacht is die tegenover de dood, die van onszelf en die van hen die ons dierbaar zijn. Maar ook in het zien van het lijden in de wereld voelen wij ons vaak machteloos: oorlogen, onrecht, armoede, verdeeldheid, verslaving, moreel verval. Zelfs in een democratisch land met vrije verkiezingen is onze reële invloed op het politieke en sociale leven quasi niets. Hoe machteloos moeten we meemaken dat het huwelijk van een kennis kapot gaat, of dat een afgestudeerde geen passende betrekking vindt, of een jongere geen richting vindt?

Op zulke momenten worden wij heen en weer getrokken. Aan de ene kant herinnert ons geloof ons eraan dat wij schepselen zijn, geen Schepper. Alleen God is almachtig. Wij zijn beperkt, en er zullen altijd situaties zijn die buiten onze controle liggen. Dit aanvaarden is een vorm van nederigheid: erkennen dat onze kracht eindig is, dat wij niet alles kunnen oplossen.

Maar tegelijk verzet iets in ons zich daartegen. Er leeft een innerlijke onrust: “Dit mag toch niet zo zijn! Er moet iets gebeuren!” Dat verzet is niet noodzakelijk een gebrek aan geloof. Integendeel, het kan juist iets diep menselijks en zelfs christelijks zijn. Want vaak is het precies die weigering om ons neer te leggen bij onrecht en lijden, dat ons ertoe brengt om verandering te zoeken, om het goede te doen, om de wereld menselijker te maken.

Er bestaat dus een heilige onrust die wij niet mogen onderdrukken. Te vaak leggen mensen—ook gelovigen—zich te snel neer bij situaties en noemen ze dat dan “Gods wil”, terwijl ze zelf nog niet alles hebben gedaan wat mogelijk is. Voordat wij vragen: “Waarom laat God dit toe?”, moeten wij eerst eerlijk vragen: “Wat doe ik eraan?” Pas wanneer wij werkelijk alles hebben gedaan wat in onze mogelijkheden ligt, kunnen we eerlijk zeggen: “Heer, als Gij hier waart geweest…!” en kunnen we vragen “God, hoe kunt Gij dat toelaten? Waarom hebt gij de mens zo machteloos geschapen? Waarom hebt Gij ons niet méér macht gegeven ?”

Zou meer macht het probleem oplossen? Waarschijnlijk niet. Zelfs met meer macht zouden wij nog grenzen tegenkomen. En als wij ons voorstellen dat wij onbeperkte macht zouden hebben, dan moeten wij ook een ongemakkelijke waarheid onder ogen zien: wij zijn niet alleen tot het goede in staat, maar ook tot het kwade.

Dat zien wij duidelijk in de wereld rondom ons. De politieke macht van partijen, de militaire macht van grote naties, de economische macht van multinationals, de macht van de pers en telecommunicatie, de macht van kennis en techniek: worden die niet dikwijls, gewild of min of meer ongewild, heel verkeerd gebruikt? Het heel klein beetje macht dat we zelf hebben in ons gezin, in onze zaak, op ons werk, of in onze hobbies, gebruiken we dat wel ten goede?

Dit verhaal leert ons iets belangrijks: macht vraagt om liefde. Hoe groter de macht, hoe groter de liefde die nodig is om haar goed te gebruiken. En totale macht vraagt om oneindige liefde. Daarom is alleen God almachtig—omdat alleen God volmaakte liefde is.

Misschien ligt hierin een diepere betekenis van onze menselijke beperkingen. Onze machteloosheid is niet alleen een tekort, maar ook een bescherming. Zij kan ons behoeden voor het veroorzaken van nog meer lijden. Zij herinnert ons eraan dat wij niet God zijn, en roept ons op tot nederigheid, verantwoordelijkheid en vertrouwen.

Tegelijk worden wij niet geroepen tot passiviteit. Wij worden uitgenodigd om de macht die wij wél hebben te gebruiken: om te handelen, lief te hebben, te dienen, en waar mogelijk genezing te brengen – en waar dat niet kan, te vertrouwen.

In die geest kunnen we leven in de zin van het gebed van Franciscus van Assisi:
“Geef mij, Heer, de moed om te veranderen wat ik veranderen kan, het geduld om te aanvaarden wat ik niet veranderen kan, en de wijsheid om het onderscheid tussen beide te kennen”. Amen! (Kiran Joy OP)