Eerste lezing: Hnd 2, 42-47
Tweede lezing: 1 Pe 1,3-9
Evangelie: Joh 20 19-31
Beste en lieve mensen,
De Heer is waarlijk opgestaan!
Tussen Pasen en Pinksteren nodigt de Kerk ons uit om op tocht te gaan door een soort van hoogvlakte. Het wordt een vreedzame wandeltocht vol vreugde die voortdurend opborrelt uit de zekerheid dat de Heer levend onder ons is. Het is een tijd waar we de Heer leren kennen naar de Geest. De leerlingen die in de eerste week na Pasen waren samengekomen, waren erg geschrokken en konden niet geloven wat er met Jezus was gebeurd. Drie jaar waren Zijn leerlingen en enkele vrouwen met Jezus meegegaan in de opdracht en de boodschap die Hij van Zijn Vader had gekregen.
Maar velen onder hen hadden het niet zo direct begrepen en dat is een beetje normaal. Als je drie jaar met iemand mag meegaan waarvan je ziet dat Hij het anders aanpakt, ga je mee in de flow, want de Leider is altijd aanwezig en steeds zien ze de “wonderen” die Hij verricht in de harten van de mensen. De boodschap van liefde, vrede, rechtvaardigheid was hen wel duidelijk geworden, maar nu ze alleen zijn achtergebleven, wordt dat moeilijker.
En zo komen we bij het verhaal van Tomas. De leerlingen waren beschaamd en innerlijk diep gekwetst, want ze hadden hun Meester en vriend in de steek gelaten. Zij hadden zich afgezonderd uit schrik dat hen hetzelfde zou overkomen en toch; de ontmoedigde leerlingen werden de eerste christenen door een nieuwe en andere ontmoeting met Jezus.
Zij hebben ervaren dat Jezus tot ieder van hen zegt: Vrede! Vergeving! Ondanks je ontgoocheling en vlucht: Ik blijf jullie graag zien! Ondanks hun afgezonderd zijn kan Jezus niet weerhouden om binnen te komen en de vreugde die de leerlingen ervaren, heelt, bouwt op en zet hen aan tot een nieuw, bemoedigend “zien”. Het voelt aan als “herboren” worden. Wat ze nu ontvangen is de Geest die Jezus hen beloofd heeft.
Jezus vergaf hen hun moedeloosheid: Maria Magdalena met haar grote verdriet, het koppel van Emmaüs, Petrus die dagen geweend heeft onder zijn verloochening. Tomas was er niet bij op Paasavond toen de Heer de eerste keer met Zijn Vrede, Zijn Vergeving bij de leerlingen was binnen gekomen. Hij wilde het niet geloven. Hij had ruzie gemaakt met zijn vrienden. Het was één tegen allen geweest. Tomas met zijn ongelovige nuchterheid die zijn hart verhardde, die bewijzen vroeg.
We herkennen het zo goed: zijn twijfels zijn ook de onze. Harde bewijzen zijn niet altijd aanwezig. Er bestaat ook de “innerlijk” wereld waar kunst, moraal, religie, geloof, liefde, vergeving, trouw, een waarde heeft die niet exact “bewezen” kan worden.
Het evangelie vertelt ons dat Tomas een week later wel aanwezig was bij de leerlingen om zijn twijfels weg te nemen. Ook ons komt Jezus genezen van onze twijfels en schenkt Hij ons vergeving. Hij vraagt ons om in Zijn wonden “littekens” te leren zien, de tekens van Zijn liefde die zich totaal geeft en die sterker is dan de dood. Tomas spreekt dan in onze naam zijn geloofsbelijdenis uit: “Mijn Heer en Mijn God”. Hij herkent Jezus nu als de God van zijn leven, die, door zijn ongeloof te vergeven, hem nu zo echt de tekens van Zijn liefde toont.
Verrijzenisgeloof is de plaats waar wij geloven dat liefde sterker is dan de dood. Zalig zij die niet zien en toch geloven!
Dat is ook voor ons gezegd. Wij geloven niet omdat we zichtbare bewijzen zien, maar omdat we, zoals de leerlingen reeds enkele broze en bescheiden tekens herkennen van liefde die sterker is dan de dood. Denk maar aan het edelmoedig engagement van vele vrijwilligers, ongeacht in welke vereniging; een man of vrouw, een familielid die kiest om met respectvolle tederheid te zorgen voor de huisgenoot; een man, een vrouw die erin slaagt om dat moeilijke woordje “sorry, excuus!” uit te spreken als eerste stap om een ruzie bij te leggen. Liefde die sterker is dan een geschonden relatie. Dat zijn allemaal tekens van een belangeloos-dienende liefde die sterker is dan de dood.
Zoals bij de leerlingen kan ons beginnend verrijzenisgeloof alleen worden versterkt door een nieuwe, persoonlijke ontmoeting met de levende Jezus. Daarbij helpen ons de woorden “Mijn heer en Mijn God” die we herhalen tijdens de Consecratie. (MS)
