Eerste lezing: Hnd 2,14.22-33
Tweede lezing: 1 Pe 1,17-21
Evangelie: Lc 24,13-35
Vandaag zijn we reeds de derde zondag van de paastijd. Toch horen we in het evangelie een verhaal dat de derde dag na het overlijden van Jezus heeft plaatsgehad.
Twee van zijn leerlingen zien het niet meer zitten. In het ochtendgloren zijn enkele vrouwen naar het graf van Jezus geweest en hebben Hem niet gevonden. Ook Petrus vindt Hem nergens. Hij vindt alleen enkele linnen doeken.
Dus heeft het allemaal geen zin meer. Hun Heer en Meester is niet meer. Diegene waarop ze hun hoop hadden gesteld, was er niet meer. Hij was de kruisdood gestorven. Wat moeten ze nu doen? Ze verlaten Jeruzalem en gaan naar een nabij gelegen dorp, Emmaüs genaamd, zo’n 12 kilometer van Jeruzalem.
Van één van de leerlingen weten we de naam: Kleopas. Wie de andere is, weten we niet. Was het zijn vrouw, Maria? Of was het een andere leerling van Jezus, iemand anoniem? Als dit zo is, kan het dan ook over ons gaan? Zijn wij de andere leerling? Gaat dit verhaal ook over ons?2 uur moeten ze stappen. Onderweg vertellen ze tegen elkaar over wat er gebeurd is. Ze zijn zo met elkaar en met hun verhaal bezig, als je met 2 bent, versterk je elkaar nog in een verhaal, dat ze geen oog meer hebben voor iets anders. Ze zijn diep ontgoocheld, terneergeslagen. Ook bij ons kan dat gebeuren. Denk maar zelf aan het verlies van een naaste, een tegenslag bv verlies van je job. Je bent zo ontgoocheld dat je eigenlijk de wereld rond jou niet meer ziet.
En dan komt er die Vreemdeling, de Vreemdeling die helemaal niet weet wat er gebeurd is. ‘Ben jij dan de enige inwoner van Jeruzalem die niet weet wat er gebeurd is?’ ‘Wat is er dan gebeurd?’ En Hij laat hen hun verhaal doen. Hij luistert.
Dan begint de Vreemdeling uitleg te geven. Hij haalt er de Schriften bij. Vertelt over Mozes, over de profeten, en dat dit alles zo moest gebeuren. Ze luisteren geboeid.
Dat is voor ons ook zo. Hoeveel nood hebben we er soms niet aan, je verhaal vertellen aan iemand die er niets van weet. Door het te vertellen, zonder dat je onderbroken wordt, aan iemand die echt luistert naar jou, zie je het soms ook door een andere bril. Krijg je weer hoop, besef je dat er toch nog een toekomst kan zijn.
Wanneer ze ’s avonds in Emmaüs aankomen, doet de Vreemdeling alsof Hij verder wil gaan. Maar blijkbaar heeft zijn uitleg toch indruk gemaakt en ze vragen Hem of Hij niet bij hen wil blijven en de maaltijd met hen wil delen.
En wanneer Hij het brood neemt, de dankzegging uitspreekt, het brood breekt en met hen deelt, herkennen ze de Vreemdeling eindelijk. Hun ogen gaan open. Het is Jezus. Ze zien niet meer alleen met hun aardse ogen maar wel met de ogen van geloof. Op dat moment verdwijnt Hij. Eindelijk hebben ze Hem herkend en plots is Hij weer verdwenen. Dat geeft niet. Ze weten dat Hij nog steeds bij hen is. Ze lopen over van vreugde. Hun moedeloosheid is omgezet in hoop, in vreugde, in geloof.
In het evangelie is het Jezus zelf die uitleg geeft. In de eerste lezing is het Petrus die aantoont dat de verrijzenis van Jezus reeds in de Schriften, door koning David, voorspeld werd.
Zoals ik in het begin al zei, de tweede leerling kunnen wijzelf zijn.
Ook wij kampen weleens met tegenslagen in ons leven. Maar elke tegenslag kan tegelijkertijd ook perspectief voor de toekomst betekenen.
Door Jezus toe te laten in ons leven, worden we wel aangesproken om zijn voorbeeld te volgen, om ons te gedragen zoals de vreemdeling die met ons meeging naar Emmaüs. Vermits we niet zeker weten waar Emmaüs ligt, kan dit dus overal zijn. Ons gedragen zoals de vreemdeling: luisteren naar onze medemens, met heel ons hart. Opkomen voor een wereld waar er voor iedereen een plaats is. (PS)
