Eerste lezing: Hand., 2, 14a. 36-41

Evangelie: Joh. 10, 1-10

Lieve mensen,

In de eerste lezing horen we hoe Petrus zijn toehoorders recht in de ogen kijkt en hen confronteert: jullie hebben Jezus gekruisigd. En toch reageren zij niet met boosheid, maar met een eerlijke vraag: “Wat moeten wij doen?” Dat is misschien wel de belangrijkste vraag van vandaag. Niet: wie heeft er gelijk? Niet: wie heeft er schuld? Maar: wat doen wij ermee?

Op deze roepingenzondag mogen wij diezelfde vraag stellen: Wat doen wij met ons leven? Waar worden wij toe geroepen, hier en nu? Vroeger dachten we bij roeping vaak meteen aan priester of religieuze. Vandaag beseffen we meer en meer: roeping is breder. Het gaat over elke mens. Over hoe je leeft, hoe je omgaat met anderen, welke plaats je inneemt in de wereld. Een roeping kan zich tonen in iets groots, maar vaak ook in het kleine: een ouder die er altijd is voor zijn kinderen, een zorgverlener met geduld, een leerkracht die blijft geloven in een moeilijke leerling, iemand die luistert wanneer een ander het moeilijk heeft. Misschien is roeping vandaag minder luid dan vroeger, maar daarom niet minder echt. Ze klinkt vaak stil, midden in het gewone leven.

In het evangelie zegt Jezus niet alleen dat Hij de goede herder is, maar ook: “Ik ben de deur.” Dat is een merkwaardig beeld. Een deur is iets heel eenvoudigs. We lopen er elke dag doorheen zonder erbij stil te staan. En toch: een deur maakt iets mogelijk. Ze geeft toegang. Ze opent een ruimte. Als Jezus zegt: “Ik ben de deur”, dan zegt Hij eigenlijk: via Mij kan je binnenkomen in een andere manier van leven. Een leven van vertrouwen in plaats van angst, van geven in plaats van nemen, van aandacht in plaats van onverschilligheid.

Maar — en dat is belangrijk — een deur moet je wel zelf doorgaan. Niemand kan dat in jouw plaats doen. Vandaag leven we in een wereld met veel stemmen. Mensen die roepen, overtuigen, beïnvloeden. Via media, via meningen, via verwachtingen. Het is niet altijd gemakkelijk om te onderscheiden: welke stem is betrouwbaar? Wie volgt zijn eigen belang, en wie zoekt echt het goede?

Daarom zegt Jezus ook: de herder kent zijn schapen bij hun naam. Dat betekent: Hij ziet ons zoals we zijn. Hij kent ons. Hij roept ons persoonlijk. Roeping is dus niet iets algemeens. Het is altijd persoonlijk. Het is de vraag: wat is mijn weg? Waar kan ik goed doen? Waar kan ik mens zijn voor anderen? En tegelijk is er ook een waarschuwing. Jezus spreekt over dieven en rovers — mensen die binnenkomen zonder langs de deur te gaan. Ook vandaag bestaat dat gevaar: dat we vooral aan onszelf denken, dat we onze eigen belangen vooropstellen, dat we anderen gebruiken in plaats van dienen.

Een goede herder zijn, zoals Jezus het vraagt, is niet vanzelfsprekend. Het vraagt moed. Het vraagt luisteren. Het vraagt soms ook jezelf opzij zetten. Maar we staan er niet alleen voor. Als we terugkijken op ons leven, zien we vaak dat er mensen zijn geweest die voor ons zo’n herder waren: ouders, grootouders, een leerkracht, een vriend, iemand die er was op een moeilijk moment. Zij hebben voor ons als het ware een deur geopend. Een deur naar vertrouwen, naar hoop, naar liefde. Misschien is dat vandaag wel de kern van onze roeping: zelf ook zo’n deur worden voor anderen. Iemand bij wie een ander binnen kan komen. Iemand bij wie een ander zich gehoord en gezien weet.

Lieve mensen, roeping is geen groot woord voor enkelen. Het is een dagelijkse uitnodiging voor ons allemaal. Om te luisteren. Om te kiezen voor het goede. Om door de deur van Jezus te gaan — en zo ook voor anderen een deur te worden. Moge de heilige Geest ons daarbij helpen, vandaag en alle dagen. Amen. (HD)