Eerste lezing: Jr 20, 10-13
Tweede lezing: Rom 5,12-15
Evangelie: Mt 10,26-33

Vorige week mochten we reeds een stukje horen uit de zendingsrede van Mattheüs. Jezus zendt zijn apostelen uit om zieken te genezen, om demonen uit te drijven, om de blijde boodschap te gaan verkondigen.

De leerlingen wordt gevraagd om datgene wat ze van Jezus gehoord hebben, verder te vertellen, om datgene wat ze Jezus hebben zien doen, zelf ook te doen.

Maar ze mogen niet naar de heidenen gaan, wel naar de verloren schapen van Israël. Dat het niet van een leien dakje zou gaan, dat ze tegenkantingen zouden krijgen, wist Hij wel, Hij had het zelf al ondervonden.

Maar Jezus wil niet dat vrees, dat angst voor hetgeen dat komen kan, hen tegen houdt. Vrees of angst kan mensen soms verlammen, kan een belemmering zijn.
Denk maar eens aan een hoge ladder opgaan als je hoogtevrees hebt, of faalangst hebben. Ik vermoed dat ieder van ons wel zo iets heeft waar hij angstig voor is, of bang van heeft.
Dus angst mocht voor de leerlingen geen belemmering zijn. Daarom horen we Hem vandaag tot drie keer toe zeggen: ‘Wees niet bang, wees niet bevreesd. Doe maar wat ik van jullie vraag. Draag die boodschap de wijde wereld in. ‘Wat Ik u zeg in het duister, spreek dat uit in het licht en wat ge in het oor hoort fluisteren, verkondig dat van de daken.’

Jezus stelt zijn leerlingen gerust. ‘Zelfs de haren op jullie hoofd zijn geteld’ en ‘Jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen.’ Jezus wil hier mee zeggen dat ze erop mogen vertrouwen dat God aan hun zijde staat, God kent hen, Hij zal ze niet in de steek laten.

Ook Jeremia, in de eerste lezing, heeft het moeilijk. Als profeet, juist voor de Babylonische ballingschap, wordt het hem niet gemakkelijk gemaakt. Hij waarschuwt de bevolking van Juda voor het naderend onheil maar niemand wil naar hem luisteren. Hij raakt van streek. Zelfs door zijn beste vrienden wordt hij uitgemaakt voor ‘Ontzetting overal, verschrikking rondom’. Zij wachten tot hij iets verkeerd doet, zodat ze hem zouden kunnen overmeesteren. Je zou het voor minder niet meer zien zitten.
Maar toch blijft Jeremia hoopvol. Hij weet dat de Heer bij hem blijft, als een machtig krijger, als een held. Hij weet dat God hem zal beschermen, dat zijn achtervolgers zullen struikelen, zullen vallen en niets zullen bereiken.

En net zoals Jeremia erop betrouwd dat God hem zal bijstaan, betrouwd ook Paulus op de redding door God. In zijn brief aan de christenen van Rome, schrijft Paulus dat iedereen als mens zondig is, maar dat de genade van God, de liefde van God altijd groter is. Hij zegt dus eigenlijk hetzelfde als Jezus: vrees niet, door te geloven in Jezus Christus zal je blijven verder leven.

De woorden van Jezus en Paulus zijn zo’n 2000 jaar oud, die van Jeremia zelfs al zo’n 2600 jaar. Toch kunnen ze ook vandaag uitgesproken zijn.

Jeremia blijft getuigen van de Heer ondanks alle tegenkantingen, de leerlingen van Jezus worden geroepen om hun getuigenis af te leggen. Ook zij ondervinden tegenkantingen.
En ook wij als volgelingen van Jezus worden geroepen om zijn boodschap verder te vertellen. Is dit altijd even gemakkelijk? Zeker niet. Denk maar aan alle christenvervolgelingen over heel de wereld, in Noord-Korea, Somalië, Jemen, enz., denk aan die christenen die hun geloof ondergronds moeten beleven.
Ook hier bij ons durven wij niet altijd uitkomen voor ons geloof. Het is niet hip meer om gelovig te zijn, nu moet je aan yoga of aan meditatie doen. Het vraagt soms moed om voor je christen-zijn uit te komen.
Maar net zoals de leerlingen en Jeremia staan we er niet alleen voor. God gaat met ons mee op onze weg.
Hij staat naast ons als we dreigen te vallen, als we het niet meer zien zitten. Het is die weg die Jezus ons aantoont, die weg van hoop en vertrouwen. Er vertrouwen in hebben dat God ons nooit in de steek laat.