De gevoeligheid van mensen voor afwijkende meningen of manieren van leven is de laatste decennia zeker sterker geworden.

De diagnose luidt: mensen leven steeds meer in hun eigen bubbel (om die coronaterm te gebruiken). Wat te doen met botsende bubbels? Tolerantie is mooi, maar niet alles kan getolereerd worden.

Een samenleving kan niet alles tolereren zonder op te houden een samenleving te zijn. Samenleven berust op een onderscheid wat wel en wat niet kan getolereerd worden. Er zijn grenzen nodig aan wat tolerabel is zoals rechtvaardigheid, geweldloosheid of veiligheid.

Het verdragen (tolerare) heeft als een deugd of als een kracht ook nog een andere betekenis: het kleinere kwaad aanvaarden of doorstaan om een groter kwaad te vermijden of een hoger goed te bereiken.

Sociale denken van de kerk

De sociale leer of denken van de rooms-katholieke kerk is interessant omdat ze erin geslaagd is een catalogus van hoogste waarden samen te stellen die zowel in overeenstemming zijn met de christelijke traditie als met de hedendaagse liberaal-democratische rechtsstaat.

De kerk erkent “heilige zaken” zoals het recht op leven, respect voor de menselijke waardigheid, gewetensvrijheid, vrijheid van godsdienst, deze zijn onaantastbaar. Het sociale denken van de kerk is hoofdzakelijk ontwikkeld vanaf de encycliek Rerum Novarum van paus Leo XIII, 1891. Een periode van nieuwe tijden en omwenteling. Deze rijke sociale leer is nog steeds dé grote onbekende bij de meeste gelovigen.

Politieke macht staat best onder toezicht van een levendige publieke opinie, inclusief de kerken, omdat die macht bloot staat aan de bekoring van het kwaad. De wereldlijke macht of de staat is gericht op aards geluk, de geestelijke macht of kerk op de eeuwige zaligheid. De kerk is nooit zelf een politieke macht.

Openstaan voor rechtvaardigheidsgevoel

Staat en kerk zijn onderscheiden organisaties zowel wat vorm als wat doel betreft. Beide sferen bestaan onafhankelijk van elkaar en beheren zichzelf. De twee sferen zijn “de spirituele behoeften van de gelovigen” en “het tijdelijk algemeen welzijn”. Beide organisaties bemoeien zich niet met elkaar.

Het beginsel blijft dat mensen in vrijheid moeten kunnen beslissen over hun leven in deze wereld. De kerk zal de vrije beslissing van de mensen aanvaarden. Kerk en staat zullen samenwerken. Ze dienen beide in dienst te staan van de bevordering van de deugden van achtereenvolgens de burger en de christen. De zending van de kerk betracht echter ook de gehele mensheid, dat wil zeggen, alle kanten van het mens-zijn.

Liefde voor de medemens betekent ieder ander mens in zijn recht laten. Elkaar verder dragen, verdragen. Het kernbegrip van de christelijke kijk op de samenleving is: een gemeenschap die bestaat uit mensen met een rechtvaardigheidsgevoel.

Burger zijn betekent allereerst leven en handelen in de maatschappelijke en politieke orde zoals die institutioneel gegeven is. Een samenleving kan nooit berusten in de bereikte rechtsorde, want deze heeft altijd weer evaluatie en bijsturing nodig. Het sociale denken van de kerk kan hier een belangrijk criterium voor zijn.

Mensen zijn onschendbaar

Er is geen ethisch samenleven mogelijk zonder de utopie van de mensenrechten, dit is de rechten van de unieke kwetsbare andere mens.

Mensenrechten zijn de hoogste waarden geworden en dan kunnen gewelddadige conflicten alleen nog gedacht worden als intolerabele schendingen van mensenrechten. Conflicten moeten, omwille van de vrede, halthouden bij de rechten die mensen hebben. Mensen zijn onschendbaar.

De universele verklaring van de mensenrechten is er niet alleen om mensen wereldwijd te beschermen tegen gewelddadige en onderdrukkende regimes, maar ook om een manier van leven te verdedigen.

Minderheden behoeven wettelijke bescherming, hebben het recht op hun eigen cultuur, taal en godsdienst te behouden, maar zijn ook verplicht zich voor het algemeen welzijn in te zetten.

Gewetensvorming

We zullen leren omgaan met mensen zoals ze werkelijk zijn. Er moet ruimte zijn voor wat mensen eigen is, wat hun eigen levensvervulling uitmaakt. De ervaringswereld van ieder mens is anders, omdat ieder op een andere plaats in de wereld opgroeit en leeft.

Mensen zijn verantwoordelijk voor de maatschappelijke en politieke orde waaraan zij deelnemen, maar deze verantwoording geldt allereerst hun geweten. Het geweten ontstaat niet vanzelf. De mens staat vrij tegenover de wereld. De mens is in de wereld. De mens hoort in een samenleving thuis. Het geweten werkt als onze innerlijke stem.

De mens heeft ook een bestemming. De mens is van nature niet alleen een sociaal en politiek mens, maar ook een geestelijk wezen. God vraagt de mens juist ook zelf na te denken.